Naar een wereld van harmonie (deel IV)

'Moorea (Vesica Pisces)', inkt en gouache op papier, 67 x 44 cm, 2009

 

Sterren zijn louter hele noten. De hemel is de partituur, de mens het instrument.

[Christian Morgenstern]


Klank, resonantie, golflengte, licht, maat, getal, geometrie, ritme, verhouding, tempo, - al deze begrippen, - en er zijn er meer! -, zijn in wezen synoniemen van elkaar. Alle woorden zijn altijd verlegenheids termen: ijdele pogingen om de dingen te grijpen, die ten diepste ongrijpbaar blijven. Maar om niet hulpeloos verwonderd met een mond vol tanden in de kosmos rond te hoeven staren, gebruiken we taal. Taal, die overigens zelf bestaat uit klank, ritme, tempo, maat, getal, verhouding, geometrie, symmetrie, harmonie, etc. Kortom uit precies datgene wat we willen beschrijven. Als ons veld van onderzoek en het instrument van onderzoek één en hetzelfde zijn, dan vallen we al bij aanvang noodgedwongen even stil; staan letterlijk voor een ‘stommiteit’ die even eenvoudig als briljant is zodat alles in één klap duidelijk kan worden. De diepste werkelijkheid is taal, is trilling. Zo luidde onomstotelijk ook de ontnuchterende conclusie waar taalfilosofen als Ayer en Wittgenstein (Tractatus Logico-Philosophicus) al eerder tegen aan liepen. Echter, om ieder logo-positivistisch gevoel van rondzingen te vermijden, zien wij hierin geen enkel filosofisch probleem, maar opent zich daarentegen direct een helder uitzicht op de diepere aard van kosmos, leven, mens en bewustzijn.


Klankklare vorm

Klank vormt. Klank ordent. Klank is de basis van de schepping, van al wat is. In de oude wetenschap wordt gesproken van heilige geometrie, niet zozeer vanwege de heiligheid van de geometrie zelf, maar omdat daar waar trilling heerst, er op het zelfde moment vorm ontstaat, structuur en dus ordo ab chao. Indien het heelal uit één enkele ‘substantie’ is gevormd, dan is vorm hét middel en de enige manier om de fysieke realiteit haar oneindig gevarieerde aangezicht te verlenen.

Binnen de Oosterse traditie wordt het Aum, - de Perzen spreken van Ruach -, als de letterlijke grondtoon, of liever als het grondbeginsel van de totale schepping gezien. In de Christelijke traditie vindt dit z’n ‘weerklank’ als in den beginne was het Woord. In alle gevallen duidt dit op de diepere aard van de kosmos, die waar dan ook, in wat voor vorm dan ook, slechts uit trilling bestaat.

Voor het begin was de grondeloze Stilte. Toen het begin kwam werd de Stilte uitgesproken in het Woord, en het Woord is manifest geworden in alle verschijnselen.

Dit zou een adequate, moderne vertaling van de beginregels van het Genesisverhaal kunnen zijn. Adequaat omdat hier allereerst wordt gewezen op het allerdiepste ‘fundament’ dat zelf geen fundatie meer kent. Jacob Böhme noemde dit de Ungrund, Erik van Ruysbeek de Ongrond, meister Eckhart de Gottheit, en zo zijn er nog vele namen gegeven aan datgene wat niet genoemd kan worden, maar waaruit al het andere wel voortkomt, emaneert, als de uitademing van Brachman. Brachman, (niet te verwarren met Brahma, één van de drie fundamentele scheppende krachten: Brahma, Vishnu en Shiva, schepper, onderhouder, vernietiger), is identiek aan deze Ungrund; onnoembaar substraat, dat zelfs geen substraat genoemd mag worden, want dat woord veronderstelt eigenlijk alweer een soort (ruimtelijke) gelaagdheid, wat toch helemaal niet het geval kan zijn! Je ziet wat een wanhoopsdaad het is, om op dit punt gekomen zelfs nog een klank te durven uiten. Misschien dat daarom de oude katholieke theologen dit handig afdeden met de stelling ‘creatio ex nihilo’: ‘God schiep de wereld uit het niets’. Uit het niets? Dan toch zeker tenminste het grote Niets! De grondeloze Stilte, het Veld, wetenschappelijk te benoemen als het quantumveld, nulpuntsveld of tachyonenveld, dat zó vol is, dat het nooit leeg kan raken. En dat tevens zó leeg is, (leegte is een kernbegrip bij de Boeddhisten) dat hierin alles altijd aanwezig is. Innominabile et omninominabile. Inderdaad, God is met geen enkele naam te noemen én alle dingen dragen Zijn naam.


'Alle dingen – je lichaam, planeten, absoluut alles – zijn golflengte'.

[Drunvalo Melchizedek]


Absoluut alles is frequentie, trilling, golflengte, resonantie. De kosmos is te vergelijken met éen groot aquarium waarin iedere golfslag, iedere trilling oneindig doorwerkt tot in de verste uithoeken, altijd aanwezig blijft en dus nooit verloren gaat. Misschien tevens een goede waarschuwing voordat iemand er toe over zou willen gaan een kwaad woord te spreken, of zelfs maar te denken, want ook al mopper je maar wat binnensmonds, zelfs je gedachten zijn resonanties die niet jou zelf toebehoren, maar komen tot je en gaan van je uit binnen het Veld van oneindige trilling waarin niets verloren gaat.

Zo bezien is geluid geen onschuldig iets. Dat wat gehoord wordt werkt door in alles wat wij waarnemen. Geluid, - maar dan in een miljardvoudig hogere boventoon -, wordt waargenomen in de vorm van licht. Vanuit zintuiglijk oogpunt noemen we het één geluid en het ander licht, maar vanuit het perspectief van trilling zelf bekeken, bestaat er hoe dan ook geen fundamenteel verschil tussen die twee. Waar zou je de scheidslijn willen trekken? In de moderne wetenschap staat dit fenomeen ook bekend onder de naam sonoluminescentie*1) Bijna 100 jaar geleden sprak de Perzische mysticus Inayat Khan al over dat wat wij bijvoorbeeld horen als de toon ‘D’, in een veel hogere trilling aan het oog verschijnt als ‘rood’. De werkelijkheid is één zee van frequenties, zichtbaar en onzichtbaar, hoorbaar en onhoorbaar, voelbaar en onnavoelbaar. Cymatica, etherfysica en quantumfysica postuleren allen de oneindige volheid van de Leegte (het nulpuntsveld) met een oneindig hoge, zinderende trillingsenergie.


'Le rien est immense aux oreilles'. (De stilte is oorverdovend)

[Paul Valery]


De adem

'Behoort de adem van de fluitspeler de fluit toe?'

[Rumi, Masnavî II:1793]


Waar komt de trilling vandaan? Waar komt de adem vandaan? Ademen doe je niet zelf (probeer er maar eens mee te stoppen). Wanneer wij maar even zouden ophouden met rennen, vliegen, vallen opstaan en weer doorgaan ('wij hebben ongelofelijke haast', zoals Herman van Veen ons ooit al liet weten), wordt eigenlijk ogenblikkelijk duidelijk dat wij zelf niet de doener zijn. De mens wórdt beademd, en de adem is een groot mysterie...

 

Klik hier voor de PDF...